Op 12 October 2004 heeft de Rechtbank 's-Gravenhage een bodemzaak procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AWB 02/3863, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBSGR:2004:AR6786.
RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE
ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH
sector bestuursrecht
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
UITSPRAAK
Zaaknummer : AWB 02/3863
Datum uitspraak: 12 oktober 2004.
Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:
A, hierna te noemen: eiser,
gemachtigde mr. H.M. Pot, advocaat te Amsterdam,
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te 's-Gravenhage, hierna te noemen: verweerder.
I. PROCESVERLOOP
Op 5 november 2000 heeft eiser, van Somalische nationaliteit, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Verweerder heeft op 7 november 2001 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Daarop heeft eiser zijn zienswijze schriftelijk naar voren gebracht.
Bij besluit van 12 december 2001, op diezelfde datum verzonden aan de gemachtigde van eiser, heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 3 januari 2002 beroep ingesteld.
Bij schrijven van 18 februari 2002 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 8 juli 2004, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. F.S. Schoot.
Ter zitting is de behandeling van het beroep aangehouden teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een schriftelijke reactie, als bedoeld in artikel 83, derde lid, van de Vw 2000 te geven.
Verweerder heeft bij brief van 29 juli 2004 een schriftelijke reactie ingediend.
Hierop heeft de gemachtigde van eiser bij schrijven 2 september 2004 gereageerd.
Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, waarna de rechtbank het onderzoek op 17 september 2004 heeft gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Aan de orde is de vraag of het besluit van 12 december 2001 in rechte stand kan houden.
Ter onderbouwing van zijn aanvraag en beroep heeft eiser het volgende aangevoerd.
Eiser is afkomstig uit B (nabij Mogadishu), gelegen in Somalië. Hij behoort tot de Digil-stam, substam Galdai, subsubstam Aw Bakar, welke minderheidsgroepering vaak wordt onderdrukt door gewapende groepen die de macht hebben. De reden voor eisers vertrek uit zijn land van herkomst is gelegen in zijn homoseksuele geaardheid. Eiser had een relatie met een man, genaamd C. Zij probeerden hun homoseksuele relatie geheim te houden, maar op enig moment raakte deze toch bekend in het dorp. Twee dagen nadien – op 1 oktober 2000 – werd eisers vriend op straat vermoord. Van dorpelingen kreeg eiser te horen dat hem hetzelfde lot stond te wachten als zijn vriend. Op 10 oktober 2000 werd eisers moeder voor de deur van haar huis doodgeschoten door mensen uit de buurt. Eiser bevond zich op dat moment op het toilet en had gehoord dat zijn naam werd genoemd. Voorts had hij gehoord dat tegen zijn moeder werd gezegd dat zij de homo die zij in huis had naar buiten moest brengen. Direct na het schot vluchtte eiser in shocktoestand het huis uit. Tijdens zijn vlucht kwam hij D tegen, een kennis die per vrachtwagen onderweg was naar Naïrobi. Eiser reisde met hem mee en vertelde hem dat hij een tante had in Naïrobi. Op 18 oktober 2000 arriveerde eiser bij zijn tante. Deze zocht een reisagent en regelde voor eiser een reis naar een veilig land. Op 28 oktober 2000 reisde eiser met het paspoort van de zoon van de reisagent per vliegtuig van Naïrobi naar een voor hem onbekend Europees land.
Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.
De rechtbank overweegt als volgt.
Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 kan worden verleend in de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gevallen.
Ingevolge artikel 1(A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76), verder te noemen het Verdrag, is sprake van vluchtelingschap in het geval dat de vreemdeling, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder zich primair op het standpunt stelt dat het individuele asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is, met dien verstande dat niet in geschil is dat eiser afkomstig is uit Somalië en dat hij homoseksueel is.
Vooropgesteld wordt dat de algehele situatie in Somalië niet zodanig is dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) sinds haar uitspraak van 28 december 2001, JV 2002/73, behoort de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die vaststelling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf bij de te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De rechtbank dient zich bij haar oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van een vreemdeling te beperken tot het oordeel of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas niet geloofwaardig is.
Uit voornoemde jurisprudentie kan voorts worden opgemaakt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de oprechtheid van een vreemdeling en de geloofwaardigheid van het asielrelaas op voorhand zijn aangetast indien een vreemdeling niet aannemelijk kan maken dat het ontbreken van reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, niet aan hem is toe te rekenen.
De rechtbank tekent hierbij aan dat het ontbreken van documenten op zichzelf geen grond vormt voor niet-inwilliging van de aanvraag op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000. De afwijzingsgrond genoemd in dit artikellid kan uitsluitend worden toegepast na een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag. Immers, blijkens hoofdstuk C1/5.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) zal het toerekenbaar ontbreken van documenten steeds in de context van het totale feitencomplex moeten worden beschouwd.
Verweerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat eiser toerekenbaar geen enkel document heeft overgelegd ter vaststelling van de door hem beweerdelijk afgelegde reisroute. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit standpunt van verweerder de (marginale) rechterlijke toets doorstaan. Eiser heeft immers verklaard vanaf de luchthaven van Naïrobi per vliegtuig naar Europa te zijn gereisd, zodat redelijkerwijs mag worden verwacht dat deze reis met (indicatieve) documenten wordt gestaafd. Eiser heeft evenwel geen enkel reisdocument overgelegd. Voorts wordt in dit verband van belang geacht dat eiser – naar eigen zeggen – gebruik heeft gemaakt van een vals paspoort om Naïrobi te verlaten en dat ook bij aankomst in Europa van dit paspoort gebruik werd gemaakt. Eiser heeft verklaard dit grensoverschrijdingdocument tijdens de controles zelf in handen te hebben gehad. Van eiser kon en mocht daarom worden verlangd dat hij tijdens het passeren van de grenscontroles de bescherming had ingeroepen van de betreffende autoriteiten, onder gelijktijdige overlegging van bedoeld grensoverschrijdingdocument. Eisers verklaring in beroep dat hij het paspoort aan de reisagent – van wie hij geheel afhankelijk was – moest teruggeven, is ontoereikend om voorbij te gaan aan de eigen verantwoordelijkheid van eiser om volledige medewerking te verlenen aan de vaststelling van zijn gestelde reisroute middels het overleggen van documenten.
In aanvulling op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit – verwijzend naar het als herhaald en ingelast beschouwde voornemen – overwogen dat eiser toerekenbaar geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd omtrent zijn gestelde reisroute. Volgens verweerder mag van een persoon die stelt per vliegtuig van Naïrobi naar Europa te hebben gereisd, in redelijkheid worden verwacht dat hij informatie kan verschaffen over eenvoudige zaken als het vliegtuig en een beschrijving van de luchthaven waar hij is geland. Eiser is hierin niet geslaagd, aldus verweerder. De rechtbank stelt vast dat dit laatstvermelde standpunt van verweerder in de beroepsgronden door eiser niet is bestreden. De rechtbank is ook anderszins niet gebleken dat niet van de juistheid van dit standpunt kan worden uitgegaan.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich – gelet op het voorgaande – in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan de vaststelling van de door hem beweerdelijk afgelegde reisroute naar Nederland. Derhalve is op voorhand twijfel ontstaan aan de oprechtheid van eiser en is afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
Indien, zoals in casu het geval is, er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, en onder f, van de Vw 2000, geldt volgens vaste jurisprudentie van de ABRS dat in het asielrelaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden mogen voorkomen. Van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan om geloofwaardig geacht te kunnen worden.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het asielrelaas van eiser de benodigde positieve overtuigingskracht mist en derhalve ongeloofwaardig is. Dienaangaande heeft verweerder in de eerste plaats opgemerkt dat eiser, hoewel zijn Somalische afkomst niet wordt betwijfeld, geenszins geloofwaardig heeft gemaakt dat hij behoort tot de Digil-clan, aangezien hij zeer weinig kan vertellen over deze clan. In het bijzonder heeft verweerder er op gewezen dat eiser niet weet wie de clanoudste is, alsmede dat eiser geen dorpshoofd of stamgenoten kan noemen. Dit wekt volgens verweerder ernstige bevreemding, gelet op eisers verklaring dat hij zijn hele leven gewoond heeft in een dorpsgemeenschap en de laatste jaren heeft meegeholpen in de winkel van zijn ouders in dit dorp. Voorts acht verweerder van belang dat eiser in de stamlijn slechts kan benoemen wie er na zijn vader komt. Naar de mening van verweerder mag van een persoon die zegt te behoren tot de Digil-clan worden verwacht dat hij meer informatie kan verstrekken over zijn clanafkomst. Daarbij heeft verweerder verwezen naar een rapport van G. Ambroso, field officer van de UNHCR (Somalis in the Horn of Africa), waaruit volgt dat van geboren Somaliërs mag worden verwacht dat zij hun stamlijn tot wel 20 generaties kunnen opsommen. Evenmin acht verweerder geloofwaardig dat eiser afkomstig is uit het dorp B omdat hij nauwelijks informatie kan verstrekken over zijn gestelde geboorte- en woonplaats. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat eiser zo weinig kan vertellen over zijn directe woonomgeving. Van een persoon die vanaf zijn geboorte tot aan zijn vertrek op twintigjarige leeftijd in B heeft gewoond en de laatste jaren bovendien werkzaam is geweest in de winkel van zijn ouders, mag redelijkerwijs worden verwacht dat hij meer kan vertellen over het dorp en de omgeving van het dorp dan dat eiser heeft gedaan, aldus verweerder.
De rechtbank stelt vast dat voornoemd standpunt van verweerder door eiser in beroep niet is betwist. Eiser heeft weliswaar in zijn algemeenheid verwezen naar hetgeen in de zienswijze is aangevoerd, maar heeft in beroep niet aangegeven waarom de door verweerder in de bestreden beschikking ten aanzien van eisers afkomst opgenomen motivering onjuist zou zijn.
Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het voorgaande - in onderlinge samenhang bezien - voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om het asielrelaas van eiser, voor zover hij heeft gesteld te behoren tot de Digil-clan en afkomstig te zijn uit B, ongeloofwaardig te achten. Hieruit vloeit voort dat door verweerder evenmin geloof behoefde te worden gehecht aan de verklaringen van eiser dat hij vanwege zijn stamafkomst wordt onderdrukt en dat hij te vrezen heeft van dorpelingen uit B.
In zoverre kunnen de door eiser naar voren gebrachte asielmotieven derhalve niet leiden tot toelating op een van de in artikel 29 Vw 2000 genoemde gronden.
Daarnaast is namens eiser gesteld dat hij bij terugkeer naar Somalië te vrezen heeft voor vervolging dan wel voor een verboden behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, zulks gelet op zijn homoseksuele geaardheid, die in de Somalische samenleving volstrekt niet wordt geaccepteerd en tot ernstige problemen zal leiden.
Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.
Zoals hiervoor reeds vermeld, is niet in geschil dat eiser afkomstig is uit Somalië en wordt de gestelde homoseksuele geaardheid als zodanig door verweerder niet betwist.
De rechtbank stelt vast dat verweerders beleid, zoals dit is neergelegd in paragraaf C1/4.2.10.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover thans van belang, met zich brengt dat indien de vreemdeling zich beroept op zijn of haar homoseksuele geaardheid, dit onder omstandigheden kan leiden tot de conclusie dat betrokkene vluchteling is in de zin van het Verdrag. Indien sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Voor de conclusie dat sprake is van vluchtelingschap moet sprake zijn van een bestraffingmaatregel van een zeker gewicht. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De vluchteling moet zo mogelijk met documenten aantonen dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging, aldus de Vc 2000.
De rechtbank constateert dat uit de hiervoor vermelde weergave van verweerders beleid voortvloeit dat aan beide vereisten dient te worden voldaan. Naast strafbaarstelling van homoseksualiteit en een daarop betrekking hebbende bestraffingmaatregel van enig gewicht dient de desbetreffende vreemdeling tevens aannemelijk te maken dat hij persoonlijk gegronde vrees heeft voor vervolging.
Verweerder heeft in het bestreden besluit volstaan met de overweging dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn gestelde homoseksuele voorkeur aan dusdanig zware discriminatie bloot zou staan dat van vervolging, of van een situatie als bedoeld in artikel 3 EVRM sprake is. Deze conclusie is echter in het geheel niet onderbouwd. Zo blijkt niet dat verweerder zich heeft beraden op de vraag of homoseksualiteit in Somalië wel of niet verboden is en of daadwerkelijk wordt opgetreden tegen homoseksuelen. In zoverre dient dan ook te worden geconcludeerd dat verweerder heeft nagelaten bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het besluit komt dan ook in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
De omstandigheid dat verweerder eisers asielrelaas ongeloofwaardig heeft geacht maakt het vorenstaande niet anders. Immers, de gestelde homoseksualiteit wordt als zodanig door verweerder niet in twijfel getrokken en uitsluitend de problemen die eiser in dat kader in Faragul stelt te hebben ondervonden worden door verweerder ongeloofwaardig geacht.
Nu het vorenoverwogene leidt tot gegrondverklaring van het beroep, behoeft hetgeen overigens in beroep is aangevoerd geen bespreking meer.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 644,- voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
- 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift;
- 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
- waarde per punt € 322,-;
- wegingsfactor 1.
Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 644,-, te vergoeden door de Staat der Nederlanden en te voldoen aan de griffier).
Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier op 12 oktober 2004.
Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:
Raad van State
Afdeling bestuursrechtspraak
Hoger beroep vreemdelingenzaken
Postbus 16113
2500 BC ’s-Gravenhage
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.
Afschriften verzonden: