GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer 17/00696
uitspraakdatum: 21 november 2017
Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 23 mei 2017, nummer LEE 16/2991, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst MKB/kantoor Groningen (hierna: de Inspecteur)
Procesverloop
1
Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2.1.
Belanghebbende, geboren [in] 1986, is in het BIG-register opgenomen als arts en tandarts. In 2012 was zij in dienstbetrekking werkzaam bij [A] ( [A] ). Haar bruto loon bedroeg in dat jaar € 40.049. Belanghebbende was in 2012 in opleiding tot kaakchirurge.
2.2.
In de periode van januari 2012 tot en met juli 2012 verrichtte belanghebbende, naast haar dienstbetrekking bij [A] , werkzaamheden in het ziekenhuis [B] te [C] ( [B] ). Deze werkzaamheden bestonden uit diverse medisch specialistische handelingen voor de maatschap mondziekten, kaak- en aangezichtschirurgie (de maatschap), waartoe belanghebbende met de maatschap had gecontracteerd. De bruto opbrengsten uit deze werkzaamheden beliepen in 2012 een bedrag van € 14.897.
2.3.
Belanghebbende diende voor de door haar in [B] uitgevoerde werkzaamheden op naam van de maatschap declaraties in bij de ziekenhuisadministratie. De ziekenhuisadministratie controleerde de declaratie, ondertekende die en stuurde die vervolgens door naar de zorgverzekeraar. Declaratie bij en betaling door de zorgverzekeraar geschiedde op basis van de verrichte medisch specialistische handelingen. Belanghebbende kreeg via voorschotnota’s van [B] 50 percent van het bij de zorgverzekeraar gedeclareerde bedrag uitbetaald.
2.4.
Belanghebbende heeft in haar aangifte in de IB/PVV voor het jaar 2012 de door haar bij [B] verrichte werkzaamheden aangemerkt als onderneming. Zij heeft een bedrag van € 9.862 aangegeven als belastbare winst uit onderneming.
2.5.
Bij het opleggen van de definitieve aanslag is de Inspecteur afgeweken van de aangifte van belanghebbende. De Inspecteur heeft de opbrengsten uit de werkzaamheden in [B] tot een bedrag van € 11.207 aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden.
3.1.
In geschil is of de voordelen die belanghebbende in 2012 heeft genoten uit haar werkzaamheden in [B] dienen te worden aangemerkt als winst uit onderneming en belanghebbende uit dien hoofde recht heeft op toepassing van de MKB-vrijstelling, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.
3.2.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij een zelfstandig beroep uitoefent en reeds om die reden op grond van artikel 3.5 van de Wet IB 2001 ondernemer is. Voorts stelt zij dat zij ook overigens voldoet aan de criteria voor het ondernemerschap. Zij had een winstverwachting, sloot behandelovereenkomsten met de patiënten of met de maatschap, deed investeringen en liep debiteurenrisico.
3.3.
De Inspecteur heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
Overwegingen
4
Beoordeling van het geschil
4.1.
Ingevolge artikel 3.8 van de Wet IB 2001 is winst uit onderneming het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook worden verkregen uit een onderneming.
4.2.
Artikel 3.5 van de Wet IB 2001 luidt als volgt:
1 In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder onderneming: het zelfstandig uitgeoefende beroep.
2 In deze afdeling en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder ondernemer: de beoefenaar van een zelfstandig beroep.
4.3.
De formulering van het tweede onderdeel van dit artikel sluit bij een letterlijke lezing niet geheel aan op die van het eerste onderdeel ervan. Het tweede onderdeel valt echter, in het licht van de overige bepalingen van afdeling 3.2 van de Wet IB 2001 en in het bijzonder van artikel 3.4, redelijkerwijs niet anders uit te leggen dan aldus dat als ondernemer mede wordt verstaan de belastingplichtige met een zelfstandig uitgeoefend beroep.
4.4.
Van de zelfstandige uitoefening van een beroep als bedoeld in deze bepaling, door een belastingplichtige die werkzaamheden verricht als arts, is sprake indien deze de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt.
4.5.
Een redelijke verdeling van de stelplicht en de bewijslast brengt mee dat belanghebbende, die stelt dat de MKB-vrijstelling haar toekomt, de daaraan ten grondslag liggende feiten stelt en, bij betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt.
4.6.
Vaststaat dat belanghebbende haar werkzaamheden in [B] heeft verricht op basis van een door haar met de maatschap gesloten overeenkomst. Belanghebbende heeft over de inhoud van die overeenkomst slechts gesteld dat deze overeenstemt met die van een overgelegde modelovereenkomst, maar zij heeft die stelling niet feitelijk onderbouwd en derhalve niet aannemelijk gemaakt. Tevens staat vast dat belanghebbende declareerde op naam van de maatschap. Zij had geen eigen declaratierecht. Voorts kreeg belanghebbende van de gedeclareerde bedragen slechts 50 percent uitbetaald. Desgevraagd kon haar gemachtigde ter zitting niet zeggen waaraan of aan wie de rest van die bedragen ten goede kwam. Ten slotte zijn geen feiten en omstandigheden komen vast te staan waaruit zou kunnen worden afgeleid dat belanghebbende zelfstandigheid had ten opzichte van de door haar behandelde patiënten, anders dan in de medische behandeling van die patiënten.
4.7.
Op grond van het vorenstaande kan niet worden gezegd dat belanghebbende haar werkzaamheden in [B] zelfstandig en voor eigen rekening en risico heeft verricht en daarbij ondernemersrisico liep. Daaraan doet niet af dat belanghebbende bij de uitoefening van haar beroep als arts professionele zelfstandigheid heeft en evenmin dat zij enig risico liep in die zin dat zij geen inkomsten genoot indien zij niet voor de werkzaamheden werd ingezet. De voordelen die belanghebbende in 2012 heeft genoten uit haar werkzaamheden in [B] kunnen derhalve niet worden aangemerkt als winst uit onderneming.
4.8.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. baron van Knobelsdorff voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. A.I. van Amsterdam, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is op 21 november 2017 in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(K. de Jong-Braaksma) (J.W. van Knobelsdorff)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 22 november 2017
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH DEN HAAG.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.